horizontal rule

 Vakantie Bolivia, Chili en Paaseiland 2015/16

horizontal rule


inhoud:

bullet Algemene informatie Bolivia >>
bullet Algemene informatie Chili >>
bullet Thor Heyerdahl >>
bulletInleiding
bulletDe groep
bullet De reis van dag tot dag
bullet Dag 1: Brussel - Santiago de Chile
bullet Dag 2: Aankomst Santiago de Chile
bullet Dag 3: Santiago de Chile
bullet Dag 4: Santiago de Chile, vlucht naar Santa Cruz
bullet Dag 5: Santa Cruz -vlucht naar Sucre
bulletDag 6: Sucre
bullet Dag 7: Sucre - Indianenmarkt van Tarabuco
bullet Dag 8: Sucre - Potosí
bulletDag 9: Potosí
bullet Dag 10: Potosí - Uyuni
bullet Dag 11: Salar de Uyuni, excursie zoutvlakte
bullet Dag 12: Uyuni - Pampa Colorada - Villamar
bullet Dag 13: Villamar - Laguna Colorada - Sol de Mañana-geisers - Rocas de Dalí - Laguna Verde - San Pedro de Atacama
bullet Dag 14: San Pedro de Atacama
bullet Dag 15: San Pedro de Atacama
bullet Dag 16: San Pedro de Atacama, nachtbus naar La Serena
bullet Dag 17: Aankomst La Serena
bullet Dag 18: La Serena - Santiago de Chile
bullet Dag 19: Santiago de Chile - vlucht naar Paaseiland
bullet Dag 20: Paaseiland
bullet Dag 21: Paaseiland
bullet Dag 22: Paaseiland - vlucht naar Santiago de Chile
bullet Dag 23: Santiago de Chile - Brussel
bullet Dag 24: Aankomst Brussel

Inleiding:

Al lang had Päivi de droom om ooit Paaseiland te bezoeken. Deze droom was gebaseerd op de verhalen van de Noorse antropoloog en ontdekkingsreiziger Thor Heyerdahl, die ze in haar jeugd verslond. Ze was er van overtuigd dat deze droom nooit uit zou komen tot ze Anton ontmoette. Anton heeft al veel verre reizen gemaakt en overtuigde haar dat dromen geen bedrog zijn. Dus werd het plan geboren om naar Zuid Amerika te reizen van waaruit een bezoek aan Paaseiland kon worden gebracht.

Na een lange vliegreis via Brussel en Madrid landden we op de luchthaven van Santiago de Chili. Vanaf hier begon de afwisselende, maar ook vermoeide en boeiende rondreis die ons van het kleurrijke Bolivia met haar kleurrijke, traditionele bevolking over de zoutvlakte bij Uyuni, langs besneeuwde Andestoppen, bergmeren in allerlei kleuren, vulkanen, geisers en zoutvlaktes terug naar Chili bracht. San Pedro de Atacama is een oasedorpje in de droogste woestijn ter wereld. Vanuit hier werd met openbaarvervoer weer naar Santiago de Chili gereisd. Vanuit Santiago de Chile reisden we naar Paaseiland, met de mysterieuze Moaibeelden in een prachtig Polynesisch landschap. Hierna werd de lange terugreis aangevangen.

terug naar boven 

De groep:

De kleine groep bestond uit kleurrijke zeer bereisden mensen. Het was heel gezellig en menige avond werd onder het genot van een drankje doorgebracht. Het waren niet alleen Nederlanders, maar ook een aantal Belgen maakten deel uit van de groep. Zij hadden het voordeel van het vertrekkende land.

terug naar boven 

De reis van dag tot dag

Dag 1: Brussel - Santiago de Chile

De eerste dag werd wel heel spannend. Bert  zou ons wegbrengen naar de luchthaven Zaventem bij Brussel. We hadden er voor gekozen om heel vroeg te gaan, zodat we rustig op de luchthaven konden vertoeven. Aangekomen op de luchthaven merkte Anton dat hij de paspoorten en tickets was vergeten. Gelukkig was Bert er nog en besloten werd dat hij en Anton terug zouden rijden naar Zoetermeer om ze te halen. Päivi zou op de luchthaven wachten en contact opnemen met de luchtvaartmaatschappij. Wat een geluk dat we zo vroeg waren vertrokken daardoor was het mogelijk nog een keer heen en weer te gaan. We kwamen na een autorit van drie uur nog ruim op tijd terug op Zaventem. Päivi had onze plaatsen in het vliegtuig al veilig gesteld. Het was ook voor haar spannend maar gelukkig had ze Hilde uit België en Rob uit Groningen ontmoet, die haar gezelschap hielden bij het angstig wachten. Na nog even wat gegeten en gedronken te hebben konden we met de reis aanvangen.

De vliegreis ging van Brussel naar Madrid alwaar we overstapten op de vlucht met LAN naar Santiago de Chili. De gehele reis verliep voorspoedig.

terug naar boven 

Dag 2: Aankomst Santiago de Chile

We kwamen 's morgens aan op de luchthaven van Santiago de Chili. Deze miljoenenstad (4,5 Miljoen inwoners), aan de voet van de Andes, heeft een compact koloniaal centrum. Op weg naar het hotel kregen we de eerste indrukken van de enorme stad met zijn 7 miljoen inwoners. Ons hotel Monte Carlo ligt centraal in de stad en na ons te hebben opgeknapt gingen we met gids Hugo op pad om de stad lopend te verkennen. Hij vertelde ons het een en ander over de geschiedenis en politiek van het land. We liepen vervolgens naar de Plaza de Armas, het centrale plein. Rond dit plein liggen interessante musea en belangrijke historische gebouwen, zoals het roemruchte regeringspaleis Moneda, waar president Salvador Allende in 1973 zelfmoord pleegde. We bezochten de Catedral de Santiago en liepen vervolgens naar het provinciehuis dat in een historisch pand is gevestigd. Met name het prachtige trappenhuis is een bezoek waard. Het was een prachtige route door de stad. Na  terugkomst in het hotel gingen we met de gehele groep in een vlakbij gelegen restaurant eten. Zo kregen we de gelegenheid elkaar beter te leren kennen. Terug in het hotel hadden we nog geen zin om naar bed te gaan. Op het bij het hotel behorende kleine terrasje zaten al twee mensen van de groep iets te drinken en wij sloten ons daarbij aan. Langzamerhand sloten steeds meer groepsleden zich aan. Hierdoor werd dit spontane samenzijn wel heel gezellig.

terug naar boven 

Dag 3: Santiago de Chile

Geschiedenis

Op 13 december 1540 kwamen Pedro de Valdivia en z'n mannen aan bij de oever van de Rio Mapoche, niet ver van de heuvel, die ze Cerro Santa Lucia noemden. Het was immers de naamdag van de heilige Lucia. De officiële stichting van Santiago del Nuevo Extremo vond twee maanden later plaats in februari 1541. Valdivia roemde de plek, staande op de Cerro Santa Lucia. De beschutte ligging, aan de voet van de machtige Andes en tussen twee bergen, gaf voordelen bij de verdediging. Al vrij snel bouwden de Spanjaarden de nederzetting uit tot bestuurscentrum. Later werd Santiago de officiële hoofdstad van El Reino de Chili, het Koninkrijk Chili, dat viel onder het bestuur van de onderkoning in Lima, maar toch een zekere autonomie had. De prominente bouwwerken, zowel kerken als bestuursgebouwen, waren opgetrokken van adobe, een mengsel van modder en stro. Aanvankelijk waren daar ook de daken mee aangesmeerd. Pas later kwamen er echte dakpannen op de prominente gebouwen.
Door de geschiedenis heen hebben grote en kleine aardschokken en overstromingen van de Rio Mapoche de stad getroffen. De eerste, vrij krachtige, aardbeving vond plaats in 1647. Vrijwel alle gebouwen stortten toen in of hadden forse schade.

In de 18de eeuw kreeg Santiago meer de allure van een bestuurscentrum. Gouverneurs als Manso de Velasco en Ambrosio O'Higgins, vader van Bernardo, stimuleerden het culturele leven en lieten Europese architecten overkomen om nieuwe gebouwen te ontwerpen en de stad te verfraaien. Langs de rivier kwamen kades, tajamares, om de overstromingen in de hand te houden. Deze stroken zijn nu in gebruik als Parque Balmaceda en Parque Forestal.
Een van de buitenlandse bouwmeesters die aardig zijn stempel drukte op het uiterlijk van de stad was de Italiaan Joaquin Toesca y Ricci (1745-1799). Hij voelde de stemming goed aan, leerde de plaatselijke bouwwijze kennen, en bouwde geheel volgens de trend in Santiago sobere maar imposante gebouwen. Het presidentiële paleis La Moneda is zijn pronkstuk. Andere prominente bouwwerken van Ricci zijn de kathedraal, de parochiekerken La Merced en Santo Domingo, het douanegebouw (nu Museo de Arte Precolombino) en de Real Audiencia (nu Museo Histόrico Nacional).

Als hoofdstad van de jonge natie groeide Santiago in de 19de eeuw heel snel uit tot een stijlvolle metropool. Langs de Alameda en in de lommerrijke buurten ten zuiden daarvan verrezen de stijlvolle stadspaleizen van de nieuwe rijken, ondernemende families, die aan de basis stonden van de Chileense mijnbouw, industrie, landbouw en handel. Palacio Cousińo is zonder meer de grootste en mooiste residentie uit die tijd.

Tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw kreeg Santiago een eerste impuls. In 1910 werd het eeuwfeest van de onafhankelijkheid gevierd en kwamen er nieuwe prominente instituten als het Museo Nacional de Bellas Artes en het Palacio de los Tribunales. Ook het nieuwe Εstaciόn Mapocho kwam gereed en het Parque Forestal. Juist de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw in Europa joegen de Chileense economie aan, en breidde het oppervlak van Santiago snel uit.

Vrij van de dictatuur en vol nieuw elan sloeg Santiago in de jaren '90 van de 20ste eeuw een nieuwe weg in. De infrastructuur werd op de schop genomen, nieuwe wegen werden geopend. Snelwegen, die langs en onder de rivierbedding en het Parque Forestal doorliepen, verkeersdoorbraken om de doorstroming te verbeteren, verbouwing en uitbreiding van de metro; Santiago werkte aan z'n bereikbaarheid. Dat was hard nodig, want de Chileense hoofdstad gold lange tijd als een van de steden met de meeste verstoppingen en met de grootste luchtvervuiling.

We begonnen de dag met een excursie naar haciënda Concha Y Toro die bekend staat om zijn goede wijn. Het was bijzonder interessant om te zien hoe wijn wordt gemaakt. We liepen door de wijnvelden en zagen verschillende druiven merken. Ook brachten we een bezoek aan de schitterde tuin van het zomerhuis van de familie. We gingen niet weg alvorens ook de wijnen geproefd te hebben, waarbij wij allemaal een mooi glas met de naam van de haciënda meekregen.

 

Inmiddels kregen wij te horen, dat er op de vliegvelden door het grondpersoneel gestaakt gaan worden, zodat de vlucht van morgen naar Bolivia in de knel zou komen. De vraag was wat te doen. De gehele dag kregen we updates van de situatie die echter geen duidelijkheid gaven.

's Middags liepen we naar de wijk Bellavista met de berg Cerro Cristóbal waar we met de funicular, de kabelbaan naar de top gingen. Van hieruit hadden we een fantastisch uitzicht over de stad. Met een hoogte van 860 m is dit het hoogste punt van de stad, en zeker de moeite waard om te bezoeken. Op de berg bevindt zich het Parque Metropolítano de Santiago, een park met allerlei vermaak en zeker tijdens de zomermaanden een belangrijke attractie voor de inwoners van de stad. De funicular voert je eerst langs een kleine dierentuin en klimt dan verder omhoog naar het terras Bellavista, dat, zoals de naam al aangeeft, een prachtig uitzicht biedt over de hele stad. Het terras wordt omringd door kraampjes met etenswaren en souvenirs. Boven het terras ligt het santuario, een kleine kapel, met nog een gedenkteken van het bezoek van de vorige paus. Daarboven staat een groot wit beeld van de Onbevlekte Maagd, de beschermvrouwe, die haar armen over de stad uitspreidt. Hiervandaan is het mogelijk om een teleférico, een soort skilift, te nemen naar de andere kant van de berg. Je komt dan uit in de moderne wijk Providencia. Op de berg liggen twee grote publieke zwembaden, die vrij prijzig zijn, maar vooral op een hete zomerdag een heerlijke plek vormen om af te koelen, met daarbij een schitterend uitzicht. Verder vind je aangelegde tuinen, uitkijkpunten en picknickplaatsen. Op weg naar boven waren we enkele leden van de groep tegengekomen en we besloten gezamenlijk verder naar beneden te lopen. Het werd ouderwets verdwalen, paden nemen die niet goed bleken, richtingen die anders liepen enz. Dit werd gecompenseerd door de goede gesprekken die we onderweg hadden. Het duurde erg lang alvorens we de goede weg naar beneden vonden en nog langer voordat we ons hotel bereikten, nog net op tijd op ons wat op te knappen voor het diner. We liepen weer naar het restaurant. En waar was het restaurant?? Aan het begin van de funicular waar we net vandaan gekomen waren. Als we dat hadden geweten!!

 

terug naar boven 

Dag 4: Santiago de Chile, vlucht naar Santa Cruz

Het werd spannend deze morgen. We besloten maar vroeg naar het vliegveld te gaan om te kijken of onze vlucht naar Santa Cruz in Bolivia door zou gaan. Op het vliegveld was het chaos. Vele vluchten waren afgelast, maar gelukkig kregen we te horen, dat de staking zich beperkte tot de binnenlandse vluchten, onze vlucht ging dus door.

We vlogen met LAN naar Santa Cruz, waarbij we nog in Iquique, in het noorden van Chili, een tussenlanding maakten.

De stad Santa Cruz is in 1561 gesticht door kapitein Ñuflο de Chάνez. Oorspronkelijk bevond de stad zich veel verder naar het oosten, maar vanwege enkele nadelige klimatologische omstandigheden werd Santa Cruz aan het einde van de 16de eeuw verplaatst naar de huidige locatie. De resten van de eerste stad zijn nog te bezichtigen ten zuiden van het huidige San José de Chiquitos, de tweede poging bevond zich bij het huidige dorp Cocota. Pas met de derde locatie was men echt tevreden. Dit hield verband met de veiligheid, maar ook met de economische mogelijkheden. De stad heeft rond de 1,3 miljoen inwoners en is daarmee na de combinatie La Paz-El Alto de grootste stad van het land. Het klimaat is er echter veel aangenamer. Omdat ze op een hoogte ligt van slechts 400 m, is de lucht er minder ijl en is het er bovendien een heel stuk warmer, met een gemiddelde temperatuur van rond de 30 graden in de zomer, en 16 graden in de winter.

Wij maakten gebruik van de resterende tijd om die dag nog Santa Cruz te zien. We liepen naar de Plaza 24 de septiembre en genoten van de gezellige drukte en de mooie gebouwen. Het verhaal wil dat er in de bomen van de Plaza luiaards huizen. We hebben ze gezocht, maar door de invallende duisternis niet gezien.

terug naar boven 

Dag 5: Santa Cruz -vlucht naar Sucre

De volgende dag vlogen we met BoA (Boliviana de Aviacion) naar Sucre, volgens de Bolivianen de mooiste stad van Bolivia.

Sucre is de formele hoofdstad van het armste land van Zuid-Amerika, Bolivia, al lijkt dat vaak anders, omdat president en regering in La Paz resideren. Ook telt La Paz veel meer inwoners en heeft het de belangrijkste aanvliegroutes van het land. Terwijl La Paz op hoogtes tot 4000 m ligt en een onbarmhartig klimaat kent met soms lage temperaturen en een zware regentijd, ligt Sucre een heel stuk lager (2790 m) en heeft het aangename weersomstandigheden. Het was de eerste stad die in 1538 in Bolivia werd gesticht,  met de naam La Plata. Deze naam werd in 1826 veranderd in Sucre, als eerbetoon aan de eerste officiële president van de republiek na Bolívar. Hoewel de regering hier inmiddels niet meer zetelt, is het Hooggerechtshof hier nog steeds gevestigd. De stad valt vooral op vanwege de vele prachtige witte huizen en kerken en de talrijke open patio's, waar dankzij het gunstige weer veel gebruik van wordt gemaakt. Sucre staat, als historisch en cultureel erfgoed, op de lijst van werelderfgoederen van de Unesco. Op het centrale plein, Plaza 25 de mayo, staan palmbomen om het goede klimaat extra te onderstrepen. Aan het plein liggen de kathedraal, verschillende musea, waaronder het Casa de la Libertad, het stadhuis en de prefectuur. Ook ligt er een groot aantal restaurants en bars om het plein. De horeca is in het centrum sowieso goed vertegenwoordigd. Welke zijstraat je ook inslaat, je stuit altijd al gauw op een aardige bar of restaurant.

Op 2790 meter konden we alvast een beetje wennen aan de grote hoogte, waarop we ons tijdens een groot gedeelte van de reis door Bolivia bevonden.

Aangekomen in ons hotel gingen we naar de beroemde begraafplaats van Sucre aan de westkant van de stad. Al van verre kun je het hoog ommuurde terrein met de ceders ontwaren, aangezien dit wat hoger ligt dan de rest van de stad. Dat betekent dat je dus ook een eind omhoog moet zwoegen. Rond de begraafplaats staan verkopers met bloemenstalletjes. Op de begraafplaats zelf vind je de prachtigste familiegraven en mausolea, omringd door muren, waarin individuele kisten zijn bijgezet. Ook hier kun je heerlijk rustig, wellicht wat mediterend, onder de bomen lopen en af en toe eens een blik werpen op de soms schitterende architectonische ontwerpen van de familiegraven. Kinderen met rode jackjes aan onderhouden een deel van de graven en dragen ladders aan zodat nabestaanden zelf bij de bovenste graven in de muren kunnen komen. De sfeer is ontspannen en zeker op zondag zijn veel van de bewoners van de stad hier te vinden om vaak in familieverband hun geliefde gestorvenen te bezoeken. Zeker een begraafplaatsfanaat als Päivi had dit niet willen missen en nam de klim maar voor lief. Verder deden wij het rustig aan, maar een deel van de groep, die een fietstocht maakten, werden verrast op het heftige onweer en moesten de tocht onderbreken.

De dag werd afgesloten met een diner in de Plaza. 

terug naar boven 

Dag 6: Sucre

's Morgens reden we met een gammele bus naar het op 26 km van Sucre gelegen Chataquila, dat op een hoogte ligt van 3650 m, boven op een bergtop. Oorspronkelijk bevond zich hier een heilige plaats uit het precolumbiaanse tijdperk. Er staat nu een prachtige stenen kapel die gewijd is aan de Maagd van Chataquila. Van Chataquila liepen we in meer dan drie uur steil langs een oude Inca Trail naar beneden naar Chaunaca, op de plaats waar de rivieren Ravelo en Potolo elkaar kruisen. Het was een schitterende tocht waarvan de reisbegeleidster Brigit zei "heel makkelijk". Dat was dus zeker niet het geval met name, omdat onze groep bestond uit mensen van verschillende leeftijden en verschillende condities. Voor enkelen van de groep was het heel zwaar, omdat er geen rekening werd gehouden met de zwakkeren uit de groep. Er was vaak geen begrip voor het feit dat niet iedereen als een berggeit over het ruwe stenen pad huppelde.

 

Chaunaca is een dorp dat een prettig microklimaat heeft, omdat het beschermd tussen hoge bergen ligt.

Voorts reden we verder naar de krater van Maragua. Eigenlijk is dit een vreemde geologische formatie die bij elkaar ongeveer 16 km2 beslaat en die de vorm heeft van een schelp. Je kunt hier onder andere brokstukken obsidiaan vinden. Er zijn watervallen, grotten, en midden in het dorp is nog een begraafplaats uit de precolumbiaanse tijd. Het dorp Maragua staat vooral bekend om zijn weefkunst. Vanaf Maragua reden we via een zeer fraaie route al hobbelend terug naar Sucre.

 

terug naar boven 

Dag 7: Sucre - Indianenmarkt van Tarabuco

 

We reden naar Tarabuco voor de kleurrijke markt die daar dan plaatsvindt. Jammer dat Päivi niet mee kon, zij was ziek geworden. Tarabuco ligt op ongeveer 65 km ten zuidoosten van Sucre, de tocht erheen duurt ongeveer anderhalf uur, op een goed geasfalteerde weg. De tocht naar Tarabuco voerde door een landschap dat vanwege de frequente regenval een groot deel van het jaar prachtig groen is. Onderweg was weinig bebouwing te zien, alleen wat veekuddes en enkele schaarse huizengroepen. Tarabuco zelf is een dorp met huizen van baksteen en veelal rode pannendaken, dat het tot een simpel, maar wel aantrekkelijk dorpje maakt. Echt groot is het dorp niet. De markt, die de belangrijkste trekpleister van het dorp vormt, is gesitueerd rond het centrale plein en loopt door in de vele zijstraten. Hier kun je textiel van zeer hoge kwaliteit kopen en zeker niet duur, alhoewel de prijzen wat hoger liggen dan elders in de omgeving vanwege de grote populariteit van het dorp bij toeristen. Mooie artikelen kun je ook kopen in het Centro Artesanal Inca Pallay, waar de opbrengsten direct ten goede komen aan de handwerkslieden, die daarbij zijn aangesloten. De bevolking loopt grotendeels in traditionele kleding, welke de grootste attractie vormt van het dorp. Opvallend zijn de zwarte helmachtige hoofddeksels, een erfenis van de Spaanse soldaten uit de 15de en 16de eeuw, die nu gedragen worden door de mannen (en soms ook de vrouwen) uit het dorp. Ook andere hoofddeksels doen af en toe denken aan militaire outfits. In elk geval paraderen er heel wat kleurige hoeden en mutsjes door de straten. Verder gestreepte poncho's en vrouwen met wijde rokken, zoals dat ook in het Andesgebied grotendeels gebruikelijk is. De bewoners van Tarabuco halen hun inkomsten voor een belangrijk deel uit het toerisme, dus ze doen hun best je voor hun koopwaar te interesseren. Ook wanneer je foto's of films van hen maakt, schromen ze niet daar geld voor te vragen. Daar staat tegenover dat de talrijke artikelen, die je er kunt kopen, werkelijk spotgoedkoop zijn, zeker als je in aanmerking neemt dat het allemaal handwerk is dat je daar vindt. Rond het plein zitten verschillende kleine cafeetjes, een paar restaurants zitten in de zijstraten. Mooi is verder het witte kerkje aan het plein en de bijzondere kiosk op het plein zelf, waarin nota bene een kapper is gehuisvest.

Mocht je een feest in Tarabuco willen meemaken, dan moet je het feest van Pujllay bijwonen, de onafhankelijkheidsviering van het stadje. Dit feest wordt gehouden in het tweede of derde weekend van maart, en is een herdenking van de overwinning van de dorpelingen onder leiding van Doña Juana Azurduy op de Spanjaarden op 12 maart 1816. Tijdens dit feest komen toeristen uit het hele land en ook uit het buitenland om de dorpelingen te zien dansen in hun kleurrijke traditionele outfits.

We dineerden in een leuk restaurant waar Päivi zich hield bij een soepje en thee. Ze voelde zich al wel wat beter, maar was nog niet helemaal fit. 's-Avonds liepen we nog heerlijk over het voor de kerst rijk versierde Plaza 25 de Mayo.

 

terug naar boven 

Dag 8: Sucre - Potosí

Päivi voelde zich vandaag gelukkig een stuk beter. We reden door het ruige Andeslandschap van Sucre naar Potosi, de hoogste stad (4070 m.) ter wereld. Onderweg stopten we bij het Castillo de la Glorieta een wel heel bijzonder landhuis. Er was vandaag geen bezoekdag, maar de schoonmaakster had de deur open laten staan en daardoor konden we ook een kijkje binnen nemen. Je kunt wel zeggen dat er een goede bewaking is, want op het zelfde terrein was ook een kazerne.

Castillo de la Glorieta

Aan het begin van de 19de eeuw, terwijl steden als Londen en Parijs snel in opkomst waren, bleef een stad als Sucre steken in isolement, hoewel Bolivia toch gold als het land waar de welvaart vandaan kwam. Vooral toen de Boliviaanse regering van Sucre verhuisde naar La Paz, geraakte Sucre steeds meer in de vergetelheid. Het was dan ook moeilijk bereikbaar. Per paard of paardenkoets waren eigenlijk de enige mogelijkheden. Er kwam echter een bouwwerk dat het aanzien van de stad wat kon opvijzelen. De beroemdste zilvermijn in die tijd was die van Huanchaca, vlak bij het dorp Pulacayo, in de buurt van Uyuni. Een van de eigenaren was Don Francisco Argandoña, die ook een eigen bank bezat. Hij was getrouwd met Clotilde Urioste Velasco, wier ouders afkomstig waren uit Spanje. Als paar stonden zij zeer in aanzien; zij schonken een groot deel van hun vermogen aan goede doelen. Na enkele diplomatieke reizen door Europa en Rusland, waar zij verschillende eervolle titels ontvingen, nam Francisco Argandoña een Argentijns-ltaliaanse architect in dienst om een paleis voor hen te bouwen net buiten de stad Sucre. Zo kwam het Castillo tot stand. In 1897 was het gereed, met stallen, een klokkentoren en een minaret. Eromheen grote tuinen, een pad langs de rivier en zelfs een kunstmatig meer. Verder een miniatuurspoorlijn, fonteinen en grotten. In het kasteel werden zowel Moorse als Italiaanse elementen verwerkt, de meubelen werden geïmporteerd vanuit Europa. Het was een plek waar de noblesse zich verzamelde en waar met regelmaat grote feesten werden georganiseerd. Sucre als stad begon weer mee te tellen. De crisistijd en de Tweede Wereldoorlog gooiden echter roet in het eten. In de jaren veertig raakte het Castillo onbewoond. Vervolgens werd er meer dan 40 jaar nauwelijks meer naar omgekeken. Gelukkig werd het in 1987 tot Nationaal Monument verklaard en kon er, dankzij wat fondsen, het een en ander worden opgeknapt.

We reden verder door het fraaie landschap met mooie vergezichten. Na 50 km  maakten we nog een fotostop bij een wel heel bijzondere brug, de Puente Sucre over de Rio Pilcomayo. De brug werd op bevel van president Aniceto Arce gebouwd door ingenieur Pinkas en ontworpen en berekend door Luis Soux. Hij werd gebouwd. Het wordt beschouwd als een interdepartementaal historisch monument. De metalen hangbrug, met een tweehonderd meter lange overspanning, is een uitstekend stukje techniek en is opgebouwd rond twee immense torens die doen denken aan middeleeuwse forten bekroond door kantelen. Het monument werd onlangs gerestaureerd.

 

Aangekomen in Potosi deden we, bij de verkenning van de stad, het echt rustig aan, want je lichaam moet wennen aan de zuurstofarme lucht op die grote hoogte. De ontdekking van goud en zilver in de Cerro Rico, de rijke heuvel, heeft een beslissende rol gespeeld in de historie van Potosí. Vlak na de ontdekking van de rijkdommen in de bodem stichtten de Spanjaarden in 1545 deze stad aan de voet van de berg Cerro Rico. Vier eeuwen lang vloeiden alle inkomsten naar Spanje om paleizen en kerken te versieren en om oorlogen mee te financieren. 

Geschiedenis 

Potosi, de hoofdstad van het gelijknamige departement met een inwoneraantal van rond de 140.000, is een stad die letterlijk en figuurlijk kan bogen op een rijk verleden. Ze staat bekend als de zilverstad van Bolivia. Hoewel van de zilverproductie nu nog maar heel weinig over is, heeft deze in de loop der eeuwen onuitwisbaar haar stempel gedrukt op de architectuur, met prachtige kerken, kloosters en paleizen. De stad, die op een hoogte ligt van 4090 m en daarmee de hoogste stad van de wereld zou zijn, werd gesticht in 1545 door Juan de Villarroel, oorspronkelijk met de naam `Villa Imperial de Carlos V, ter ere van keizer Karel V. De aanleiding voor de stichting van deze stad was de vondst van zilvererts door de indiaan Diego Huallpa in de Cerro Rico in het jaar daarvoor. Het schijnt dat de Incakoning Huayna Capac de berg al had laten onderzoeken in 1462. Toch duurde het nog ruim 80 jaar totdat er echt zilver gevonden werd. Diego Huallpa was een inheemse herder die zijn schapen op de berg liet grazen. Toen er onweer dreigde, moest hij voor de nacht in een grot schuilen, waar hij een vuurtje stookte en ontdekte dat de berg zilver bevatte. Zodra dit bekend werd, leidde dit tot een invasie van Spanjaarden die hier kwamen om een graantje van de net ontdekte rijkdom mee te pikken. Voor het werk in de mijnen ronselden zij indianen, die als slaven het erts uit de mijnen moesten halen; vanwege de slechte arbeidsomstandigheden stierven zij bij bosjes. Het gewonnen zilver werd op grote schepen naar Spanje vervoerd. Onderweg werden ze regelmatig overvallen door piraten, onder wie Piet Hein. De Spanjaarden die zich in Potosi gevestigd hadden, omringden zich met steeds meer luxe, lieten paleizen en kerken bouwen, en kloosters waar zij als dank voor hun materiële rijkdom hun tweede zoon of dochter heen stuurden om zich namens hen aan een godsdienstig en spiritueel leven te wijden. De stad dijde uit en werd in de loop van de 17de eeuw met ongeveer 160.000 inwoners een van de grootste en zeker de rijkste van Zuid-Amerika. De grootste steden in Europa waren op dat moment Londen en Antwerpen, waarvan het inwoneraantal rond de 100.000 lag. Van al deze kerken en kloosters, die in een zo korte tijdsspanne gebouwd werden, kunnen we nu nog steeds de architectuur bewonderen, net als van de prachtige herenhuizen en overheidsgebouwen uit die tijd. In 1672 kreeg de stad zelfs haar eerste Casa de la Moneda, waar munten werden geslagen. Later zou er een tweede volgen. In deze tijd werden er zeker 80 kerken gebouwd. Ook werden waterreservoirs aangelegd om de snel toenemende bevolking van drinkwater te kunnen voorzien. In de 19de eeuw trad echter het verval in. Allereerst leidden de onafhankelijkheidsoorlogen ertoe dat de Spanjaarden veel rijkdommen uit de stad weghaalden en vertrokken. De mijnen waren intussen aardig leeggehaald, waardoor de zilverproductie afnam en de opbrengst daalde. De stad liep leeg, alleen de prachtige koloniale bouwwerken bleven staan. De staat zag steeds minder heil in de exploitatie van de bijna uitgeputte mijnen, hetgeen uiteindelijk in de jaren tachtig van de 20ste eeuw ertoe leidde dat alle staatsmijnen werden gesloten. Aangezien er weinig economische alternatieven waren voor de inwoners van de stad, bleven veel mijnwerkers hun werk uitoefenen in de mijnen, maar nu binnen een systeem van coöperaties, gerund door henzelf. Ze gingen voor stukloon werken of soms ook individueel door hen gewonnen zilvererts verkopen. Dat is nu de situatie. Ook de verwerking van het erts tot poeder voor de export wordt nog in Potosí uitgevoerd. Verder biedt de stad weinig werkgelegenheid, er is geen andere industrie. De prijs voor zilver en andere mineralen blijft fluctueren. In de omgeving van Potosí is op een aantal plaatsen zink gevonden, dat nieuwe mogelijkheden lijkt te bieden. Het is echter iedere keer afwachten wat de prijzen op de wereldmarkt doen. Rond 2005 zijn de prijzen weer wat omhooggegaan, maar de opbrengsten blijven al met al laag. Tegenwoordig verdienen veel mijnwerkers wat bij binnen het toerisme, bijvoorbeeld door toeristen in de mijngangen rond te leiden, en hen zo een kijkje te geven in het leven van een arbeider onder de grond. In 1987 heeft de Unesco Potosí tot werelderfgoed uitgeroepen.

potosi1.jpg (650×350)

We liepen nog even door het centrum, waar al de historische rijkdom van de stad te zien is. Aan het centrale plein de Plaza 10 de Noviembre verheft zich de rijk gedecoreerde Catedral, het blok daarnaast het Casa de la Moneda, nog een blok verder La Torre de la Cοmpańia de Jesύs. Op loopafstand bevinden zich tientallen andere kerken, veel in barokstijl, in navolging van de destijds heersende bouwstijl in Spanje, maar dan nog rijker uitgevoerd.

Na de lunch brachten we, samen met Rob, Frans en Hannie, een bezoek aan de Templo y Convento de San Francisco. Het is moeilijk οm een bezoek te kiezen tussen de talrijke kerken in de binnenstad van Potosi, maar de kerk van San Francisco met aangrenzend klooster springt eruit. Niet ver uit het centrum, is dit klooster van franciscaanse monniken in 1547 gesticht door Fray Gaspar de Valverde. Daarmee is dit het oudste klooster van Bolivia. De oorspronkelijke kerk was de eerste die in Potosi werd gebouwd. De franciscanen predikten in navolging van hun voorganger Franciscus van Assisi vooral soberheid, vandaar dat ook de eerste kerk eenvoudig was. In 1707 besloten de franciscanen echter de kerk af te breken en er een nieuwe voor in de plaats te bouwen, omdat de eerste kerk niet meer voldeed aan de behoeften van de toenemende groep gelovigen. Deze tweede kerk werd in 1726 in gebruik genomen. De toren valt op binnen de architectuur van Potosi. De toren is vervaardigd van onder andere graniet en bedekt met bakstenen en dakpannen. Achter de toren loopt een gebogen dak, als van een basiliek, naar achteren door, compleet bedekt met oranjerode dakpannen en voorzien van trappetjes, waardoor je een wandeling over het dak kunt maken. Hiervandaan heb je een schitterend uitzicht over de stad. Het klooster is soberder dan veel andere. Het is dan ook een van de weinige kloosterordes, waar ook armen konden intreden. Nu worden er rondleidingen door een gids gegeven, die uitleg geeft bij een expositie van schilderijen uit de koloniale tijd, waaronder een groot schilderij van Melchor Pérez de Holguin. Verder is er een tabernakel met een Christusbeeld, gemaakt van cactushout. Rond dat beeld bestaan veel legenden, zoals het haar dat echt is en nog groeit (het wordt eenmaal in de 40 jaar geknipt) en het beeld dat kan zweten en kan bloeden. We brachten ook een bezoek in de catacomben, waarin de monniken vroeger werden begraven.

 

 

terug naar boven 

Dag 9: Potosí

's Morgens deden we het rustig aan. 's Middags brachten we nog een bezoek aan de Casa de la Moneda. Vanwege de snel toenemende bevolking en de uitbreiding van de handel in Potosí werd het nodig een financieel centrum op te richten voor alle zakelijke en financiële transacties. Om die reden werd tussen 1572 en 1575 het eerste Casa de la Moneda gebouwd, aan de huidige Plaza 10 de Noviembre in het centrum van de stad. Tot 1767 bleef dit Casa de la Moneda in gebruik. Uit Spanje kwam in deze tijd de wens om de zilverproductie nog verder op te schroeven. Spanje had het geld hard nodig, vanwege de grote adelklasse die improductief was en moest worden onderhouden, en het ontbreken van enige industrie in Spanje, waardoor alle opbrengsten uit de koloniën in een hoog tempo wegvloeiden naar de industriegebieden van vooral Vlaanderen. Om deze reden moest er ook een nieuw en groter Casa de la Moneda komen, dat tot stand kwam tussen 1759 en 1773, niet ver van het oude. In dit nieuwe muntgebouw werd met nieuwe technieken gewerkt, zodat de munten regelmatiger werden dan voorheen. Belangrijk, omdat de onregelmatige randen van de voorgaande munten het moeilijk maakten om diefstal van stukjes zilver te controleren.

Het Museo de la Casa de la Moneda is dit tweede muntgebouw. Het gebouw is enorm en beslaat een huizenblok met een oppervlakte van 7570 m2. Het omvat 5 binnenplaatsen, 2 verdiepingen en in totaal 54 expositiezalen. Wanneer je de eerste binnenplaats op loopt, word je meteen geconfronteerd met een lachend, enigszins karikaturaal masker, dat werd vervaardigd in 1865. Het is niet zeker wie hiermee wordt afgebeeld. Het vermoeden bestaat dat het een van de werkbazen is. In de zalen kun je schilderkunst bekijken van grote schilders, zoals Melchor Pérez de Holguin, de bekendste schilder van Bolivia. Deze schilder werd in 166; geboren in Cochabamba, maar heeft het grootste deel van zijn leven in Potosi gewoond, waar de inwoners het geld hadden οm hem opdrachten te verstrekken. Frappant zijn de schilderijen van paarden. Deze schilder was nog nooit in laaggelegen gebieden geweest en omdat op deze hoogte geen paarden kunnen leven, schilderde hij ze met mensengezichten. Een zaal is speciaal gewijd aan schilderijen van Maria. Ook kun je munten bewonderen en alles wat met de vervaardiging van munten te maken had. De machines voor het maken van munten, blijken enorme houten installaties, die destijds werden aangedreven door muilezels die rondjes moesten draaien. Deze machines werden per schip uit 61613593.jpg (500×375)Cádiz naar Buenos Aires gebracht, vanwaar ze op karren naar Potosí werden vervoerd. Om het geld veilig te kunnen transporteren, beschikte men over grote kluiskisten, waarvan ook verschillende exemplaren worden tentoongesteld. Verder kom je door zalen met mijnbouwwerktuigen, allerlei mineralen en archeologische vondsten en natuurlijk met zilveren voorwerpen, uiteenlopend van sieraden tot gebruiksvoorwerpen, zoals zelfs een zilveren po. Overigens worden hier al heel lang geen munten meer geslagen. Nadat van 1909 tot 1953 elektrische machines waren gebruikt voor de vervaardiging van munten, worden sinds die tijd de Boliviaanse munten in het buitenland vervaardigd, in Spanje, Canada en Frankrijk.  

terug naar boven 

Dag 10: Potosí - Uyuni

We zouden om 12:30 uur vertrekken maar liepen eerst nog even naar het de Plaza 10 de Noviembre en genoten van de sfeer. Omdat de restaurants nog niet open waren, namen we op het plein vlakbij het hotel snel een empenada aan een kraampje. Dit was werkelijk de lekkerste empenada die we ooit gegeten hebben. Hierna terug naar het hotel om naar de bus te gaan voor onze reis naar Uyuni. Helaas moesten we bijna 2 uur op de bus wachten. De chauffeur belde dat hij de parkeergarage niet uit kon, omdat er een vrachtwagen voor geparkeerd stond. Er werd veel gemopperd, maar toen hij aan kwam rijden, was toch iedereen opgelucht en blij.

 

Het was een prachtige 6 uur durende rit door de bergen van de Altiplano die steeds onherbergzamer werden. We maakten een aantal fotostops, waarbij we vele lama's, alpaca's en de in het wild levende vicuña's zagen. Ook het aantal reusachtige cactussen werd steeds meer. Uiteindelijke stopten we op een hoog punt boven de stad Uyuni waar we naar de zonsondergang keken. Langzaam zagen we alle lichtjes in Uyuni aangaan, zodat we de werkelijke grote van het stadje konden zien. Laat kwamen we in het hotel aan, waar we gelukkig in de pizzeria konden eten.

 

terug naar boven 

Dag 11: Salar de Uyuni, excursie zoutvlakte

Het stadje Uyuni is gesticht ín 1889, ten tijde van het presidentschap van Aniceto Arce. Waar de naam vandaan komt, is niet helemaal duidelijk, maar het heeft vermoedelijk te maken met het Aymarawoord `Uyu dat `huis' betekent. Hoewel Uyuni als piepklein stadje met een bevolking van rond de 15.000 inwoners op zichzelf niet veel te bieden heeft, oefent het toch een booming aantrekkingskracht uit, omdat het de uitvalsbasis is voor excursies naar de grootste zoutvlakte van Bolivia, de Salar de Uyuni. Overigens trok dit gebied vijftien jaar geleden nauwelijks de aandacht, maar de afgelopen jaren is het toerisme in ijltempo toegenomen. Een bezoek aan de zoutvlakte en de rest van de omgeving is het dubbel en dwars waard. Het stadje Uyuni heb je snel gezien. De meeste restaurants zijn pizzeria's, hetgeen wellicht tekenend is voor het publiek dat het stadje aandoet.

We begonnen de dag met een heerlijk door onze Amerikaanse gastheer gemaakt ontbijt. Daarna stapten we in Landcruisers voor een excursie naar de Salar de Uyini, de zoutvlaktes. De Bolivianen noemen dit gebied ook wel het Alaska van Bolivia. We stopten eerst bij het dorpje Colchani. Er wonen zo'n 20 tot 30 families, die voor hun bestaan volledig afhankelijk zijn van de zoutproductie. Het zout, dat zij in ruwe vorm vergaren in de omgeving, wordt in primitieve ovens gedroogd, daarna gemalen en ten slotte wordt er jodium bijgevoegd. Het wordt in zakken van 50 kilo verkocht en veelal geëxporteerd naar het buitenland. Tijdens de regentijd ligt de productie stil, dan is het zout te nat om goed in de ovens te kunnen drogen. Neveninkomsten moeten dan vooral uit de verkoop van toeristische artikelen komen, veelal van zout vervaardigde souvenirs en uit de rondleidingen, die toeristen krijgen om het productieproces te leren kennen.

Hierna naar de hoofdattractie in de omgeving van Uyuni de Salar de Uyuni, het indrukwekkende zoutmeer. We reden met hoge snelheid over de vlakte, waarbij niet gekeken wordt waar de "weg" loopt. Dit meer strekt zich bijna uit tot aan de grens met Chili en bestrijkt in totaal 12.000 km2, waardoor het met recht de grootste zoutvlakte van de wereld wordt genoemd. Ooit lag hier het enorme Minchinmeer, inmiddels zo'n 40.000 jaar geleden, dat grotendeels opdroogde. Wat er overbleef waren Lago Ροορό en Lago Urύ-Urο en een paar zoutvlaktes, waaronder deze. Nu is de zoutlaag op sommige plekken wel tot 20 m dik. Deze vormt een uitgestrekte witte vlakte, waar je in de droge tijd eindeloos overheen kunt lopen en die je met een jeep kunt doorkruisen. Dat gebeurt dan ook op zo'n tocht.

Voorts reden we naar het Isla Incahuasi en het Isla del Pescado (in de vorm van een vis), die overigens vaak met elkaar worden verward. Dit zijn uiteraard geen echte eilanden, maar omvangrijke rotspunten die boven de zoutvlakte uitsteken. Opmerkelijk zijn de cactussen die op deze islas groeien, de Trichocereus pasacana. Deze groeien slechts 1 cm per jaar. Er zijn cactussen bij van wel 12 m hoog. Op Isla Incahuasi is overigens, tot afgrijzen van diegenen die juist de natuur en de afgelegen ligging van het eiland zo waarderen, een restaurant verrezen. Onderweg over de vlaktes kun je soms groepen flamingo's ontwaren. Er zijn drie soorten flamingo's die in bepaalde perioden op de vlaktes broeden: Chileense flamingo's, Andesflamingo's en James' flamingo's.

Op het Isla Incahuasi wandelden we tussen al deze fraaie cactussen. Het was toch een hele klim op deze grote hoogte. Päivi was toch maar beneden gebleven en genoot van het mooie uitzicht. De uitstekende lunch werd door de chauffeurs klaargemaakt, waarna we verder gingen. Onderweg haalden de chauffeurs nog mooie zoutkristallen voor de groep uit het water onder de zoutlaag. Toen verder naar het zouthotel Playa Blanca, geheel opgetrokken uit zoutblokken. Het hotel is niet meer in gebruik vanwege het probleem van het niet hebben van een riolering. Het hotel is tijdens de Dakar rally een punt, waar de voertuigen langs komen. Vlakbij het hotel is daarvoor een gedenkteken opgericht. Vervolgens reden we naar de plaats waar het zout gewonnen werd. Hier zagen we allemaal zouthopen, die gedroogd werden.

Het laatste onderdeel van deze mooie excursie was een bezoek aan het Cementerio de trenes, een treinenkerkhof op de Avenida Ferroviaro . Dit dateert uit de jaren veertig, toen de mijnbouwindustrie begon terug te lopen en de treinen, die de mineralen vervoerden geleidelijk werden afgeschreven. Het is nu een wat afgelegen en naargeestige plek geworden, waar een groot aantal locomotieven en treinwagons staat weg te roesten, ten prooi aan het dikwijls gure weer van de hoogvlakte. De meesten zijn afkomstig uit Engeland en dateren uit de 19e eeuw. Uyuni was ooit een belangrijk knooppunt voor treinen uit onder meer Calama in Chili, La Paz, Potosí en Villazon aan de Argentijnse grens. Wel leuk materiaal voor treinfanatici en een uitdagend speelterrein voor enthousiaste toeristen, die graag eens in en op dergelijke treinstellen willen klauteren.

's-Avonds werd er weer gedineerd in de pizzeria van het hotel.

terug naar boven 

Dag 12: Uyuni - Pampa Colorada - Villamar

Het was vandaag de eerste kerstdag en we werden verrast met een heerlijk champagneontbijt dat onze Amerikaanse host, gekleed als kerstman, ons gaf. We hoorden ook het bijzondere en tragische verhaal van zijn gehandicapte zoon die van de een op andere dag ernstig ziek was geworden. De familie was er trots op dat hij in 2015 de paus mocht ontmoeten.

Na het kerstontbijt stapten we met onze bagage naar de jeeps, die op ons stonden te wachten. We begonnen vandaag aan onze tweedaagse jeepsafari. Er reisde een lokale kok mee die de maaltijden onderweg zou klaarmaken. Op weg naar Villamar reden we door de ‘Pampa Colorada’, de rode woestijn. In het dorpje San Cristobal stopten we even voor een kopje koffie, om wat kraampjes te bekijken en een kijkje te nemen in de kleine koloniale kerk. Jammer dat de reisbegeleidster meer tijd nodig had voor haar eigen fotosessies, zodat we niet langer mochten blijven. Onderweg zagen we vele lama's, alpaca's, vicuña's en de eerste flamingo's.

Het dorp San Cristobal heeft een aparte geschiedenis. Toen vlak boven het kleine stadje San Cristóbal de grootste zilvermijnen van Bolivia werden ontdekt en er in 1998 concessies werden uitgegeven aan het Canadese mijnconsortium Apex Silver, rees de vraag wat er met het stadje moest gebeuren. Het had weliswaar slechts 350 inwoners, maar lag net aan de voet van de mijn, dus dat zou gevaar voor de mensen kunnen opleveren. Besloten werd om het dorp elders nieuw op te bouwen en het oorspronkelijke dorp leeg achter te laten. Er stond echter een prachtige, 350 jaar oude, koloniale kerk, die de bevolking niet kwijt wilde. 0m die reden besloot het mijnbouwbedrijf niet alleen een geheel nieuw dorp elders te bouwen, met modernere faciliteiten, maar ook de kerk steen voor steen af te breken en in het nieuwe dorp op te bouwen. Eveneens werd het kerkhof met de daar begraven lichamen verplaatst. Het nieuwe dorp verrees 17 km verderop. De kerk werd precies als het origineel opgebouwd, maar nu extra stevig. Tijdens de reconstructie werden oude schilderingen teruggevonden. De dorpelingen kwamen er goed vanaf met hun nieuwe huizen, herbouwde kerk, moderne medische voorzieningen, scholen en sporthallen. Ook kreeg iedereen die voor het mijnbouwbedrijf wilde werken een baan voor het leven aangeboden. Natuurlijk kwam ook het mijnbouwbedrijf er niet slecht vanaf: de zilvervondst in San Cristobal kan nog wel eens groter blijken te zijn dan de traditionele in de Cerro Rico bij Potosí. Er zit ook een keerzijde aan het verhaal. Critici merken op dat de bewoners uit dit oorspronkelijke Quechua-dorpje, die zich wijdden aan landbouw en veeteelt, door alle veranderingen gedwongen, geproletariseerd zijn. Hun oude bestaan kunnen ze niet meer voortzetten, hun bestaan is nu afhankelijk van de mijnbouwbedrijven. Niet iedereen zal dat als een vooruitgang ervaren.

Ook stopten we voor een wandeling door de Valle de las Rocas, vulkanisch gevormde rotsen in allerlei bizarre vormen. Het vulkanisch gesteente is in het ruige verleden over elkaar heen gerold, gestold en nu massaal aan het eroderen door water en wind. Het is een geliefde plek voor bergbeklimmers, met name de oude lavagangen, die soms overhangen, zijn erg populair. Voor de meeste toeristen is het vooral een wandelgebied.

Aan het eind van de dag kwamen we in het kleine dorpje Villamar aan. Hier heeft de lokale gemeenschap eenvoudige huisjes gebouwd om toeristen te ontvangen en zo voor de nodige inkomsten te zorgen. Het dorp Villamar valt op vanwege de grote veestapel die daar in de omstreken rondloopt. Een combinatie van koeien, schapen, lama's en alpaca's graast het dal af, een teken van de relatieve welvaart van deze leefgemeenschap. Gezegd was, dat je hier slaapt met meerdere reisgenoten op een kamer en dat ook de sanitaire voorzieningen moeten worden gedeeld. Dat bleek niet helemaal waar. Er waren verschillende tweepersoons kamers en wij hadden het geluk één ervan te krijgen. Onze kamer had ook een eigen badkamertje, dus geen probleem.

's-Avonds hadden we hier het kerstdiner. Er was van-te-voren gezegd dat er geen drank te krijgen zou zijn, immers kookte onze eigen kok. Iedereen had dat goed in de oren geknoopt en in Potosi flink ingeslagen. We aten spaghetti en nadat de wijn op was, kwam de whisky op tafel. Het werd reuze gezellig! 

terug naar boven 

Dag 13: Villamar - Laguna Colorada - Sol de Mañana-geisers - Rocas de Dalí - Laguna Verde - San Pedro de Atacama

Vroeg vertrokken we met de jeeps voor een prachtige reis richting Chili. We reisden door het Reserva Nacional Eduardo Avaroa, een prachtige omgeving van meren en vulkanen. Bij de ingang van het reservaat zagen we wel een verkenner van de Dakar rally die hier ook langs zou komen. Als eerste kwamen we bij de Laguna Colorada aan, een meer met een prachtig rode kleur gelegen op 4278 meter hoogte. Het mineraalrijke "Celestine"water trekt flamingo’s aan die je hier aan de oevers kunt zien. Het waren er wel duizenden.

Onderweg gebeurde het onwaarschijnlijke met onze zeer ervaren chauffeur. We kwamen vast te zitten. Met wat graaf werk konden we weer verder. Vervolgens moesten we een bergketen van bijna 5000 meter hoogte over, waarna we in een volgend natuurwonder terecht kwamen. In het thermische gebied van Sol de Mañana zagen we spuitende geisers en pruttelende modderpoelen en in het Laguna Polques weer wat flamingo’s. Hier lunchten we.

Na deze break kwamen we langs de 'woestijn van Salvador Dalí'. De ‘Rocas de Dalí’ zou doen denken aan het werk van de beroemde Catalaanse schilder: surrealistisch gevormde rotsen in een vulkanische woestijn. Het viel tegen en waarschijnlijk zou Dali zich omdraaien in zijn graf.

Aan de voet van de 5960 meter hoge vulkaan Llicancabur ligt de Laguna Verde, hier zorgt het hoge mineraalgehalte van het water voor een prachtige blauwgroene kleur. Tijd voor nog meer prachtige foto’s tijdens deze indrukwekkende reisdag! Vervolgens kwamen we midden in de wildernis bij de grens met Chili.  Nadat we de grensformaliteiten hadden afgehandeld, stapten we van de jeeps in de busjes aan de andere kant van de grens en daalden we af naar 2435 meter, naar de eerste stop in Chili: San Pedro de Atacama, in de Atacamawoestijn.

terug naar boven 

Dag 14: San Pedro de Atacama

San Pedro de Atacama is bekender en vaker bezocht dan het uiterste noorden van Chili. Dat heeft vooral te maken met het feit dat reizigers die vanuit Bolivia Chili binnenreizen dikwijls vanuit Uyuni de doorgaande route door dit gebied nemen. In geologisch opzicht is de woestijn van Atacama een voortzetting van het woestijngebied en de zoutvlakten van Uyuni en vertoont hij veel overeenkomsten. Het stadje San Pedro de Atacama vormt het centrum van dit gebied.

San Pedro ligt aan de voet van de bijna 6000 meter hoge Licancabur vulkaan en vormt een natuurlijke oase in de Atacamawoestijn, de droogste woestijn ter wereld. Deze oase wordt al vele duizenden jaren bewoond en het dorp (minder dan 2000 inwoners) heeft een rijke geschiedenis. San Pedro heeft een echte koloniale sfeer, met gebouwen gegroepeerd rond een centraal plein, gebouwd van het natuurlijke bouwmateriaal adobe. San Pedro ligt op een hoogte van 2436 m en het beschikt over een aangenaam klimaat. Voor ons was het wennen want met meer dan 35° was het best heet. Het hotel was ook niet je dat. Geen airco, ramen die niet naar buiten open konden of alleen open naar de gang, zo heet als een kas. Het plaatsje oogt als een typisch woestijnstadje, met nauwe ongeplaveide straatjes en lage huizen. De meeste hotels worden omringd door grote tuinen, die door muren afgeschermd worden van de omgeving. In het centrum van het stadje staat een oud kerkje aan een plein dat overschaduwd wordt door een reeks zogenaamde peperbomen. In een zijstraatje van het plein bevindt zich een markt waar kleurig handwerk wordt verkocht.
Het stadje is uitgegroeid tot een populair toeristisch centrum, waardoor de meeste van de inwoners nu werkzaam zijn in het toerisme en veel Chilenen van elders zich hier gevestigd hebben om daar een graantje van mee te kunnen pikken. Vooral veel jonge backpackers bezoeken deze regio, maar ook oudere reizigers worden aangetrokken door de vele bezienswaardigheden die de omgeving biedt. Bovendien bieden de vele restaurants met hun grote haardvuren en livemuziek een gastvrije sfeer die je lang niet overal vindt. Een wel heel bijzonder feit is dat de enige bar in het stadje door een Fin uit Rauma wordt geëxploreerd. Natuurlijk spraken Päivi en hij over hoe dat gekomen is. Hij was 19 jaar geleden als backpacker hier gekomen en nooit meer weg gegaan. Hij vertelde dat 19 jaar geleden er geen elektriciteit in het stadje was, maar dat San Pedro nu staat op de lijst van de 3 meest ontwikkelde plaatsen in Chili. Voor Päivi was het ook een beetje terug naar haar hippietijd met al die lange haren en baarden.

Voorts maakten we een excursie naar de El Tatio Geisers. De El Tatio-geisers kun je het beste ’s-morgens vroeg maken wat we ook deden. Even na zonsopkomst is het hier het mooist, dan zijn de geisers namelijk het meest actief en kun je ze zien borrelen en spuiten. De geisers bestaan uit waterstralen die dwars door spleten in de aardkorst met kracht naar buiten komen, met temperaturen tot 85 graden Celsius. Met name als de zon opkomt is dit een indrukwekkend gezicht, omdat de stralen, omgeven door waterdamp, hoogten tot tien meter kunnen bereiken. In de directe omgeving van de geisers vallen prachtige flora en fauna te bewonderen, onder andere lama's, alpaca's, vicuña's en vizcacha's. Opmerkelijk is de yareta, groen mos dat de stenen langs de weg bedekt. Dit snelgroeiende mos dient als brandstof voor veel inwoners van de streek. Het werd tot ongeveer 1970 op grote schaal als zodanig gebruikt, tegenwoordig krijgt het meer medicinale toepassingen. Het was wel een groot verschil met Bolivia, waar alles zo ongerept was, deze toch zeer commerciële attractie van de Chilenen. Na een ontbijt, door de chauffeurs klaargemaakt, reden we verder naar een cactusvallei en vervolgens naar het dorpje Machuca dat in onze ogen speciaal voor de toeristen was gebouwd. Het echte oude dorpje lag namelijk niet ver weg. Machuca fungeerde vijfhonderd jaar geleden als tambo, rustplaats voor rondtrekkende karavanen. Machuca beschikt onder andere over een prachtig en veel gefotografeerd kerkje met losstaande toren en rituele tafel, waar voorheen geofferd werd aan Pachamama, Moeder Aarde. Ook hier weer een blijk van syncretisme, een samenvoeging van katholieke en inheemse geloofsrituelen.

terug naar boven 

Dag 15: San Pedro de Atacama

Deze dag gingen we naar de Atacamawoestijn, onderweg zagen we uitgestrekte zoutmeren tegen een achtergrond van deels rokende, besneeuwde vulkanen. We passeerden het mooie koloniale dorpje Toconao, dat 38 km van San Pedro vandaan ligt op een hoogte van 2485 m. In het dorp wonen ongeveer 550 mensen, waaronder veel kunstenaars die met het goed bewerkbare vulkanisch steen uit de omgeving werken.
Vooral de prachtige witte klokkentoren uit 1750 trekt hier de aandacht. Zoals veel torens in deze regio is ook deze los gebouwd van de kerk waarbij hij hoort. Een andere bezienswaardigheid in Toconao zijn de historische irrigatiesystemen, nog steeds in gebruik, die je onder begeleiding van een gids kunt bezichtigen.
De Salar de Atacama bevindt zich een paar kilometer verderop. Deze schijnbaar eindeloze witte zoutvlakte wordt slechts onderbroken door enkele lagunes, waar flamingo's en andere vogels op zoek zijn naar micro-organismen. Verder weg zagen we enkele tekenen van industriële bedrijvigheid: er worden lithium en potassium gewonnen, onder andere ten behoeve van de vervaardiging van kunstmest. Het zout van deze vlakte is niet eetbaar en dus niet geschikt voor consumptie.
We reden van de Salar verder in de richting van de lagunes en passeerden het dorp Socaire, op een afstand van 90 km van San Pedro en op een hoogte van 3500 m. We waren dan bijna ongemerkt 1 km omhooggegaan. Hiervandaan zagen we in de verte de prachtige zoutmeren van San Pedro liggen. Vandaar de bijnaam 'Balkon van Salar de Atacama'.
Nog 25 km verderop, op een afstand van 115 km van San Pedro en op een hoogte van 4300 m, bereikten we de schitterende lagunes Miscanti en Meñiques. Miscanti is het grootste meer, omgeven door prachtige vulkanen van het Andesgebergte. Het water is helblauw van kleur en trekt flamingo's, meerkoeten en andere watervogels. Meñiques vormt zelfs een broedplaats voor veel vogels en mag om die reden niet al te dicht worden genaderd.
De lucht is hier ijl en zuiver, want het is hier boven de 4000 m. Op de terugweg zagen we kuddes lama’s en alpaca’s, tegen een verre achtergrond van een rokende vulkaan.

terug naar boven 

Dag 16: San Pedro de Atacama, nachtbus naar La Serena

In een comfortabele nachtbus overbrugden we de grote afstand over de Pan American Highway naar La Serena. We maakten gebruik van een 'semi-cama-bus', van de stoelen kun je ‘halve bedden’ maken, er was dan ook meer dan voldoende beenruimte.

         

Je kon een spannende film kijken, die nog spannender werd zonder ondertiteling, en er was een wc aan boord. Toen het laat werd, werden er warme fleecedekens uitgereikt om onder te kruipen. Ondanks dat het niet toegestaan was, hadden wij een flesje whisky meegenomen als nachtmutsje. Later kregen we een klein ontbijt. Zelf hadden we ook voldoende etenswaren en drinken meegenomen, zodat we niets te kort hadden.

terug naar boven 

Dag 17: aankomst La Serena

De volgende dag kwamen we aan in het hotel in La Serena. Het was heerlijk om de oceaan te zien. Nadat we onze spullen in het hotel hadden gebracht, gingen we wat wandelen.  We verkenden de omgeving van het hotel dat aan de boulevard is gelegen. Voorts lunchten we in een gezellig restaurantje vlak bij de vuurtoorn waarna naar het centrum wandelden.

La Serena is de aantrekkelijke hoofdstad van regio IV en ligt ongeveer 470 km ten noorden van Santiago. De stad is gesticht in 1544 door Juan Βοhόn (een strijdmakker van Pedro de Valdivia), maar werd vier jaar later bij de zoveelste aanval door indianen volledig in de as gelegd. In 1549 werd de stad geheel opnieuw opgebouwd en in 1552 kreeg ze officieel stadsrechten van Keizer Karel V van Spanje. Het is daarmee de op een na oudste stad van Chili. Toch was daarmee de ellende nog niet voorbij, want in de jaren daarna werd de stad meermalen het doelwit van vooral Britse piraten die verantwoordelijk waren voor frequente plunderingen en vernielingen. De vondst van zilver net ten noorden van La Serena betekende een keerpunt voor de Spanjaarden en zorgde dat de stad tot welvaart kon komen.

Hoewel La Serena de hoofdstad van de hele regio is, bedraagt het aantal inwoner slechts ongeveer 160.000. Hoogbouw is er eigenlijk nauwelijks, waardoor La Serena een zekere rust en eenvoud uitstraalt. Een belangrijke bijdrage hieraan heeft het Plan Serena geleverd. Dit architectonische herstelplan werd uitgevoerd tussen 1946 en 1952 en zorgde voor het huidige uiterlijk van de stad, waarvan vooral de opgeknapte koloniale gebouwen veel aandacht trekken. De Plaza de Armas is een schaduwrijk plein met veel bomen en een grote gebeeldhouwde fontein in het midden met vier omvangrijke vrouwenfiguren. Aan het plein staat de neoklassieke kathedraal die in 1844 is gebouwd. Hij werd ontworpen door de Franse architect Juan de Herbage. Direct naast de kathedraal bevindt zich het Museo de Arte Religioso, dat een grote collectie bevat van religieuze voorwerpen uit de 17de, 18de en 19de eeuw. Een andere blikvanger, aan dezelfde kant van het plein, is het prachtige stadhuis annex gerechtshof met hagelwitte muren en roodgeschilderd houtwerk. Een groot deel van de binnenstad is ingericht als voetgangersgebied en zou zodoende een zekere allure aan het winkelhart, zeker daar waar fraaie koloniale herenhuizen staan, zoals Casa Chadwick en Casa Herreros, moeten geven. Jammer dat er gewoon door zeer veel auto's door dit gebied wordt gereden. Op de markt waren allerlei soorten handwerken te koop. Na wat gedronken te hebben in een barretje aan de markt liepen we terug richting het hotel. Bij gigantische "Lider" kochten we wat artikelen. We sloten aan in de zeer lange rijen voor de kassa's. Het was namelijk de dag voor oudejaarsavond. Tot onze verbazing zeiden mensen voor ons ga naar voren voor die paar artikelen. We begrepen dat niet helemaal totdat een man zei mee te komen. Hij bracht ons direct naar de kassa en regelde dat wij voorrang kregen. Wat een bijzondere ervaring!

's-Avonds aten we weer in het zelfde restaurant als die middag. Er was in dit Arabische restaurant wel wijn te krijgen, al stond het niet op de kaart.

terug naar boven 

Dag 18: La Serena - Santiago de Chile

We vertrokken weer naar het busstation om verder met de lijnbus naar de hoofdstad van Chili, Santiago de Chile te reizen. Dit keer was de bus niet zo comfortabel. Het was overdag, zodat we vol van het uitzicht konden genieten. Er brak wat paniek uit toen op het allerlaatste moment verteld werd dat er op oudejaarsavond geen enkel restaurant open zou zijn. Na wat aandringen regelde onze "juf" dat we, tegen aanzienlijke betalingen, in het restaurant van ons hotel Monte Carlo konden dineren. Voorafgaand aan het diner zaten we gezellig buiten op het terras van het hotel iets te drinken. Om 19:00 uur plaatselijke tijd hebben Päivi en ik geproost op het Finse Nieuwjaar. Om 20:00 uur was er een vrolijke wir-war van felicitaties, kussen en omhelzingen voor het Nederlandse Nieuwjaar. Dit tot grote vreugde van de Chilenen om ons heen, die ons met applaus vanaf hun balkonnetjes en uit ramen de beste wensen toezonden.

Voor het diner gingen we naar binnen. Best gezellig, al was het diner niet echt hoogstaand. Gezien dat dit de enige mogelijkheid was om aan eten te komen na de vermoeiende busrit, waren we allang tevreden. Hierna gingen wij gewoon naar onze kamer, waar we de jaarwisseling op tv onder het genot van een fles wijn volgden. In Chili steken niet de mensen het vuurwerk af, maar is er een door de stad georganiseerd vuurwerk vanaf de TV toren. Het vuurwerk was werkelijk spectaculair.

terug naar boven 

Dag 19: Santiago de Chile - vlucht naar Paaseiland

Wat een begin van het nieuwe jaar. Met een binnenlandse vlucht (van bijna 6 uur!) gingen we naar de spectaculaire afsluiting van deze reis: Paaseiland of Rapa Nui. Paaseiland dankt zijn naam aan de Nederlandse ontdekkingsreiziger Jacob Roggeveen die het met Pasen ontdekte. 

Päivi lag als kind, in de jaren 50, op haar buik op de grond de foto's in het boek van haar opa te bekijken. Thor Heyerdahl was haar held en hij schreef over beelden op een ver eiland. Ze dacht "als ik die ooit zou kunnen zien". Nu was de tijd gekomen. Dankzij Anton, die, nadat zij hem over haar droom had verteld, tegen haar zei: "Nou, dan gaan we ze bezoeken!"

Aankomen op Paaseiland is een feestelijke gebeurtenis. Inwoners staan klaar de gasten, die bij hen logies gereserveerd hebben, een bloemenkrans om te hangen.  Als de zon dan ook nog doorkomt, en meestal is dat het geval, dan waant de net aangekomen reiziger zich al gauw op een Polynesisch eiland, dat Paaseiland ook min of meer is. Gelukkig is Paaseiland nog kleinschalig gebleven, tropisch, Polynesisch, maar geen spatje Chileens.

 

 

 

Paaseiland, ofwel Rapa Nui in de eigen taal, dat op een afstand van 3700 km ten westen van Chili in de Stille Oceaan ligt, heeft een oppervlakte van 166 vierkante km (maximale lengte 24 km, maximale breedte 12). De oorsprong van het eiland dateert van drieënhalf miljoen jaar geleden en is gebaseerd op de uitbarsting van een vulkaan, die later Poike zou heten, aan de oostkant van het eiland. Later volgden uitbarstingen van de vulkanen Rano Kau (in het zuidwesten) en Rano Aroi (in het huidige noordelijke district Tereveka). Tezamen zorgden zij voor de vorming van het driehoekige eiland. In de loop der tijd zorgden zeker zeventig kraters in het binnenland voor een verdere aanvoer van magma en bepaalden daarmee het huidige landschap van het eiland. Paaseiland rust duizenden meters onder het zeeoppervlak op een basis die vijftig keer zo groot is als het bovenoppervlak. Het is een van de meest geïsoleerde eilanden in de Pacific.

Het landschap op het eiland is indrukwekkend, met groene heuvels, vulkanen en witte stranden, maar het eiland is vooral bekend vanwege de Moais. Het mysterie rond deze grote beelden, van soms wel 20 meter hoog, is nog altijd niet opgelost. Op verkenningstocht langs de kolossen leer je meer over de theorieën die erover bestaan. Verspreid in het mooie Polynesische landschap vinden we ruim 800 beelden van vulkanisch gesteente. De meeste zijn vijf tot zeven meter hoog, maar er zijn ook uitschieters die variëren van twee tot ruim twintig meter. Eigenlijk weet niemand precies wie deze mysterieuze beelden heeft gemaakt en waarom. Aangenomen wordt dat de voorouders van de huidige bewoners de beelden maakten ter aanbidding en als bescherming. We weten wel dat de vulkaan Rano Raraku het materiaal heeft geleverd. Rond de krater staan en liggen vele, vaak onvoltooide, beelden.

Momenteel leven er ongeveer 3500 inwoners op het eiland, waarvan ongeveer 70 procent nog op enigerlei wijze afstamt van de oorspronkelijke bevolking. Steeds groter is echter de vermenging met niet-eilanders, met name met Chilenen van het continent. Het overgrote deel van de bevolking woont in Hanga Roa, het enige stadje op het eiland. In de Iglesia Hanga Roa, de katholieke kerk van het eiland, wordt het christelijke geloof gemengd met de Rapa Nui-tradities. Bijna iedereen leeft van het toerisme. Niet vreemd, wanneer je bedenkt dat het eiland momenteel bezocht wordt door ongeveer 40.000 toeristen per jaar vanuit de hele wereld. Het vliegverkeer op Paaseiland is heel beperkt. Het monopolie daarop berust bij de vliegmaatschappij LAN Chili en dat houdt in dat er wekelijks slechts drie vliegtuigen landen vanaf Chili en nog twee die uit Tahiti komen. De vlucht vanuit Santiago duurt vijf tot zes uur, waarbij moet worden opgemerkt dat het op Paaseiland twee uur vroeger is dan in de rest van Chili. Het vliegveld werd overigens in 1968 aangelegd met geld van de NASA, die deze plek aanwees als noodlandingsplaats voor spaceshuttles. Om deze reden wordt het vliegveld gekenmerkt door een extra lange landingsbaan.

Geschiedenis

De geschiedenis van het eiland zit vol legenden en mysteries. Over het algemeen veronderstellen onderzoekers dat de eerste kolonisten het eiland bereikten rond het jaar 400. Dat zouden er enkele tientallen geweest zijn, afkomstig uit het Polynesische gebied, die waren overgestoken met dubbele kano's. Over de periode tussen 400 en 1200 is weinig bekend. Wel zou volgens mondelinge overlevering rond het jaar 1000 Hotu Matu'a, later koning van het eiland, met twee schepen en drie- tot vierhonderd personen zijn geland. Hij zou varkens hebben meegenomen, kippen en allerlei planten en gewassen, waaronder taro, zoete aardappelen, bananen en suikerriet.
Pas na 1200 begon de aanwezigheid van mensen er haar sporen achter te laten. Toen begon namelijk de vervaardiging van de grote standbeelden, de `moais' en de daaruit voortvloeiende ontbossing van het eiland, aangezien boomstammen een belangrijk hulpmiddel vormden bij het verplaatsen van de gigantische stukken steen. Bomen waren ook nodig om kano's te bouwen en als brandhout te dienen.
De ontbossing voltrok zich in een snel tempo tussen 1200 en 1600, ook omdat de bevolking explosief toenam tot ergens tussen de 7000 en 9000 personen. Inheemse vogels stierven uit, de verspreiding van plantenzaden stokte, en een ecologische ramp was het gevolg.
Toen de Nederlander Jacob Roggeveen op paaszondag in 1722 als eerste westerling met zijn scheepsbemanning voet aan wal zette op Paaseiland, stond er nergens een boom meer overeind en leed de bevolking ernstige honger.
In de jaren daarna brak vermoedelijk een strijd uit tussen verschillende stammen op het eiland, bekend geworden als de strijd tussen de Lang-Oren en de Kort-Oren. Lang-Oren slaat op de traditionele Paaseilanders, die oordeformatie toepasten door de oorlellen steeds verder uit te rekken. Misschien waren de Kort-Oren een andere bevolkingsgroep die pas later op het eiland was gekomen. Mogelijk waren dit Maori's uit Nieuw-Zeeland, die niet bekend waren met het uitrekken van oorlellen.
In elk geval zouden de Lang-Oren eeuwenlang geheerst hebben. Dat is terug te zien in de mooi, uitgehakte afbeeldingen van menselijke koppen met lange oren. Wellicht onder extra druk van de snel verslechterende ecologische omstandigheden of misschien doordat het hier een invasie van een nieuwe bevolkingsgroep betrof, kwamen de Kort-Oren tegen de Lang-Oren in opstand en brak er een beeldenstorm uit, waarbij alle beelden omver werden getrokken en soms zwaar beschadigd. De precieze toedracht van de conflicten is nooit bekend geworden, aangezien de Paaseilanders niet over een geschreven overlevering van de geschiedenis beschikken. In 1770 namen de Spanjaarden het eiland officieel in bezit.

In 1774 bereikte de Britse ontdekkingsreiziger James Cook het eiland en zag hij al niets anders meer dan omgevallen en kapotte beelden, gesneuveld in de stammenstrijd. Ook de periode daarna behoorde tot de duisterste van het eiland. Het contact met andere culturen leidde in 1862 namelijk ook tot de komst van slavenhandelaren, die een groot aantal bewoners achtereenvolgens meevoerden naar de Juan Fernández Archipel en naar Peru om daar dwangarbeid te verrichten. Slechts weinigen daarvan kwamen jaren later ziek en verzwakt terug op het eiland.
De situatie had zich enigszins hersteld toen de eerste missionaris, de Fransman Eugène Eyraud, in 1864 op het eiland aankwam om er het christendom te onderwijzen. Binnen een paar jaar slaagde hij er in de totale bevolking van het eiland tot christen te bekeren. Echter, de komst van Franse plantage-eigenaren bracht nieuwe onrust teweeg. Missies die protesteerden tegen hun ronselpraktijken werden door hen aangevallen. Het grootste deel van de inwoners werd meegevoerd naar Tahiti om daar op plantages te werken. Anderen stierven doordat de indringers ziekten met zich meebrachten, waartegen de eilandbewoners geen weerstand hadden. Slechts weinigen bleven in leven op het eiland.
In 1888 werd het eiland officieel geannexeerd door Chili en vestigde zich een groot aantal Chilenen van het vasteland op Paaseiland. Eerst in 1964 kregen de eilanders een duidelijk burgerschap met daaraan verbonden stemrecht. Sinds de laatste jaren beginnen de Paaseilanders de lokale bedrijven meer in eigen handen te nemen en worden er pogingen gedaan een aantal oude tradities weer in ere te herstellen.

Ons hotel Hotel, Oceania Rapa Nui, ligt op loopafstand van het vliegveld. We hadden een mooie kamer vlak naast het zwembad. Je kon gezellig voor de kamer op de waranda iets drinken. We dineerden in het stadje.

terug naar boven 

Dag 20: Paaseiland

We maakten twee dagexcursies over het eiland. Hugo onze gids was zeer enthousiast en goed gebekt. Zijn verhalen waren bijzonder, waarbij hij ook wel heel eigen ideeën had over de geschiedenis ondanks dat niemand echt weet hoe die echt was. Hij hield van de legenden van zijn eiland, waarbij hij zijn verhalen ondersteunden met folklore liedjes die hij voor ons zong. Hij had bijzondere tatoeages over zijn zoon op zijn been, die allen gemaakt waren volgens de tradities van het eiland. Hij heeft nu ook een dochter, zodat zijn andere been er ook aan moet geloven. Tatoeages zijn voor de Polynesische bevolking niet iets van mode, maar behoren tot de tradities. Hugo was een prima gids, zodat we heel wat geleerd hebben.

Deze dag volgden we de route aan de zuidoostkust van het eiland. Hier staan de oudste moai's.

 

De Moai

De enorme stenen gevaarten, variërend in lengte van enkele meters tot wel 9,5 meter, sieren met name de zuid- en oostkant van het eiland. Ze werden gemaakt van steensoorten die op het eiland voorkwamen, vooral van tufsteen, relatief zacht vulkanisch gesteente. De plaats waar ze uitgehakt werden, is bekend: tegen de flanken van de vulkaan Rano Raraku bevinden zich in verschillende steengroeven half uitgehakte beelden. Halverwege de hellingen liggen of staan hele of gedeeltelijke beelden, kennelijk tijdens transport naar de kust achtergelaten. Sommige beelden lijken alleen uit een hals en een hoord te bestaan, maar in feite is hun tors op de berg in de bodem gezakt.
In een van de steengroeven ligt een gedeeltelijk uitgehakt beeld van 22 m lang, het grootste beeld van allemaal. Aan de zijkant van de berg bevindt zich een van de weinige beelden met billen en benen, de moai Tuku Turi of Tuturi, rustend op zijn knieën. Andere beelden houden onder aan de rug op.

Waarom deze beelden werden gemaakt, is niet met zekerheid bekend. Aangenomen wordt, dat de beelden de voorouders of goden symboliseerden, en dat dit ook de reden is dat ze bijna allemaal met het gezicht landinwaarts werden neergezet: om de bevolking in de gaten te houden, om over de eilanders te waken en ze te beschermen. Ten tijde van de vervaardiging van deze beelden dreigde er blijkbaar geen gevaar van de kant van de zee.
De beelden lijken onderling erg op elkaar en zijn duidelijk geen afbeeldingen van individuele personen. Ze worden over het algemeen als mannelijk beschouwd, hoewel sommige beelden met erg geprononceerde tepels soms als vrouwelijk worden gekenschetst.

Hoe de beelden vervoerd werden over het eiland is een ander mysterie. De beelden zijn zo enorm zwaar, dat het veel mankracht en manuren gekost moet hebben om ze over een afstand van soms tientallen kilometers te verplaatsen. Een mogelijke transportmethode zou de zogenaamde 'koelkastmethode' zijn, waarbij het beeld iedere keer omgekanteld zou zijn, maar dat zou de beelden flink hebben beschadigd.
Bij een reconstructie van een dergelijk transport, die de burgemeester als uitdaging had laten uitvoeren, bleek het 18 mannen ongeveer een maand te kosten om een beeld over 25 km, dus van de ene kant van het eiland naar de andere kant, te vervoeren. De eenvoudigste transportwijze daarvoor bleek om de beelden op twee balken te leggen en deze dan over boomstammen te rollen. De mensen zelf getuigden destijds van de verplaatsing van de beelden door `mana', een spirituele kracht die maakte dat de beelden zichzelf konden verplaatsen.
Het oprichten van de moai zou gebeurd zijn door steeds meer stenen tegen de voorkant van het beeld te plaatsen, waardoor het langzaam overeind kon komen.
De beelden werden opgericht op platforms, die `ahu' worden genoemd. Bijna allemaal met het gezicht landinwaarts, op enkele na die naar de zee keken. Van ogen is overigens weinig teruggevonden. Slechts één gebroken exemplaar gaf de bevestiging dat in elk geval enkele moai ogen gehad zouden hebben. Het witte deel van het oog was gemaakt van wit koraal, de iris bestond uit zwart vulkaansteen. De ogen kregen ze pas wanneer de beelden waren opgericht op een ahu, tijdens het transport hadden ze daar nog geen oogholtes voor.
Van de in totaal 887 moai zijn er in de afgelopen decennia ruim 30 weer overeind gezet. De rest ligt naast de ahu's, bevindt zich nog onafgewerkt in de steengroeven van Rano Raraku, of is ergens tijdens het transport tussen wieg en bestemming blijven steken.

Met een niet al te comfortabele bus reden we naar onze eerste stop ahu Akahaŋa. Onderweg zagen we al moai's maar hier waren er meer. De ahu Akahanŋa biedt een troosteloze aanblik, namelijk een aantal omgevallen moai, met hun hoofddeksels eromheen.

Vervolgens stopten we bij Rano Raraku. Aan de voet van de Rano Raraku vulkaan zijn de meeste moai’s gemaakt. Het is een uitgedoofde vulkaan. De krater herbergt precies de juiste steensoort voor het maken van de beroemde standbeelden. Talloze onafgemaakte moai’s staan hier verdwaald in het landschap, sommigen tot hun oren in het zand. Het is een illustere plek: de geboorteplaats én de begraafplaats van moai.

De volgende stop was de ahu Toŋariki. De ahu Toŋariki maakte wel de meeste indruk op ons. Het is de oostelijkst gelegen ahu van het eiland. Het centrale platform meet ongeveer 100 m en is daarmee het grootste van allemaal. De vijftien moai die zich daarop verheffen, staande in een rechte lijn naast elkaar, met de blik landinwaarts gericht, vormen een indrukwekkend beeld. Het platform en de moai die zich daarbij bevonden, werden in 1960 grotendeels verwoest door een vloedgolf na de aardbeving bij Valdivia. Tussen 1992 en 1995 werd het platform inclusief de moai gereconstrueerd door de Universiteit van Chili. Het hoogste beeld, het enige dat een pukao draagt, is 14 m hoog. Het verhaal gaat dat bij de restauratie geen enkele pukao was gepland, maar dat tijdens de receptie van de opening bewoners die ene pukao hebben aangebracht.

Voorbij de ahu Tonŋariki gaat de geasfalteerde weg over in een zandpad die om de Poike vulkaan heen geleid wordt naar de noordkant van het eiland. Langs de kust  liggen daar nog verschillende ahu's, waaronder ahu Te Pito Kura, waar blijkbaar de grootste moai opgericht heeft gestaan, hoewel deze nu genadeloos naast het platform ligt.

Aan het einde van deze excursie brachten we een bezoek aan het strand Anakena zodat we in de oceaan konden zwemmen. Anakena is eigenlijk het enige strand, op nog een kleine zandstrook elders na, waar zonaanbidders hun heil kunnen zoeken. Het ligt aan de noordoostkant van het eiland, aan het einde van de geasfalteerde weg die dwars over het eiland loopt vanaf Hanga Roa naar het oosten. Het strand geldt als de legendarische landingsplaats van Hotu Matu'a, de veronderstelde ontdekker en stichter van het Paaseiland. Er is een palmenbosje aangeplant, dat de illusie moet verschaffen van een echt tropisch paradijs. Onder de bomen bevinden zich verschillende kiosken, waar je plaatselijke gerechten kunt krijgen. Aan het andere uiteinde van het strand staat de ahu Nau Nau met zeven moai. Vier daarvan zijn getooid met een rode pukao, de drie andere zijn niet meer volledig.

Op de terugweg liepen we nog langs het enige haventje van het eiland. Er kunnen alleen maar sloepen aanmeren van de locale vissers.

De avond brachten we door met een take a way pizza en twee flessen wijn.

terug naar boven 

Dag 21: Paaseiland

We reden naar de ahu Tahai die vlak bij Hanga Roa ligt. Na intensief onderzoek gaan wetenschappers er van uit gegaan dat de beelden hier de oudste van Paaseiland zijn. Ze worden gedateerd op 690 na Chr. Bijzonder is tevens dat tegenwoordig sommigen zijn gerestaureerd met de 'ogen van koraal'. Wetenschappers denken dat veel beelden dit soort ogen ooit hebben gehad, maar bewijs daarvoor is pas recent gevonden. Voor de kust bij ahu Tahai liggen twee replica van de Kontiki.

 

 

 

              

Vervolgens reden we naar het antropologisch museum van Paaseiland. Het museum geeft een indruk van de geschiedenis en de cultuur van Paaseiland. Jammer is dat de informatie alleen in het Spaans is en dat er relatief weinig voorwerpen te bezichtigen zijn. Een uitgebreid boekje, dat in het museum in verschillende talen verkrijgbaar is, bevat ongeveer dezelfde informatie. Een aantal houten moai trekt verder de aandacht, evenals een van de weinige moai met vrouwelijke trekken. Ook bevindt zich in dit museum een van de schaarse ogen van moai die er gevonden zijn, bestaande uit wit koraal met een iris van rode sintel.

Voorts reden we naar een van de mooiste plekken op het eiland het dorpje Orongo, een ceremonieel dorpje dat aan de rand van de krater van vulkaan Rano Kau ligt. In dit dorp wordt de Vogelman ceremonie gehouden. Het dorpje ligt in een indrukwekkend mooie omgeving en wordt gekenmerkt door halfondergrondse verblijven met gedeeltelijk van steen gestapelde muurtjes en een lage ingang, waardoor je alleen kruipend naar binnen kunt komen. Alle ingangen kijken uit op zee in de richting van het befaamde eilandje waar de jongeren destijds het ei van de Manutara vogel moesten zien te bemachtigen. We liepen voorbij deze verblijven en bereikten een uitzichtpunt, waar zich de rotsen met petrogliefen bevinden die verwijzen naar het ritueel van de vogelman. Paaseiland is ontstaan uit uitbarstingen van diverse vulkanen, waarvan er enkele beschikken over een groot kratermeer. Eén daarvan is dat van de vulkaan Rano Kau. De krater heeft een diameter van 1500 m en het meer is 200 m diep. Het wateroppervlak is deels bedekt met totora, het soort riet dat ook bijvoorbeeld op de oevers rond het Titicacameer op de grens tussen Peru en Bolivia groeit, en waarmee Thor Heyerdahl zijn zeilboot de Kontíkí bouwde. Tot 1973 haalden de bewoners hier een groot deel van hun water vandaan, totdat er een waterleidingssysteem in het dorp werd aangelegd.

De lunch gebruikten we in een restaurant in Hanga Roa, dat tegenover de begraafplaats was gelegen. Päivi was natuurlijk niet te houden en bezochten we deze fascinerende begraafplaats. 

 

Een aparte vermelding verdient de ahu Akivi. In de eerste plaats, omdat deze zich, in afwijking van de andere ahu's, verder landinwaarts bevindt. Ten tweede, omdat de zeven moai op dit platform met het gezicht naar de zee gewend staan. Bovendien zou hun blik gericht zijn op de plek, waar de zon rond de zonnewende ondergaat. Het platform werd in 1960 gerestaureerd.

 

Voorts bezochten we Puna Pau. Puna Pau is de steengroeve van de roodstenen hoeden (pukao genoemd) die overal verspreid liggen. Deze hoeden zijn gemaakt van rode sintel. Overigens zijn er onderzoekers die menen dat het hier niet om hoeden gaat, maar om knotten of een soortgelijke haardracht.

 

Vervolgens bezochten we het zuidelijkst liggende ahu Vinapu, waar niet meer van de oorspronkelijke beelden te bespeuren is dan wat gebroken resten, waaronder een hoofd dat voor het platform staat. Wel speciaal is de opbouw van de ahu met een muurtje dat van de Inca's afkomstig lijkt. De gebruikte stenen zijn namelijk zonder voegwerk, maar naadloos, op elkaar gestapeld, net als bij een groot aantal Incatempels. Dit deed Thor Heyerdahl geloven dat hier al bevolking vanuit Peru geweest zou moeten zijn, voordat het eiland voor het eerst `ontdekt' werd door reizigers van buiten Polynesië.

Deze tour sloten we af met een bezoek aan de westkant van het eiland, ten noorden van Hanga Roa, waar enkele grotten de moeite van een bezoek waard zijn. Een van die grotten is Ana Kai Taŋata, waar een smalle ingang uitkomt op een grote binnenruimte, vanwaar twee 'ramen' uitzicht bieden op de wilde branding van de zee. Een andere grot is Ana Te Pahu, 200 m lang, die een toevluchtsoord vormde tijdens de stammenoorlogen op het eiland. Dit is nog steeds een plek waar eilandbewoners met elkaar picknicken of vuren stoken. Het is ook een populaire stek voor verliefde stellen.

's-Avonds was er het afscheidsdiner van deze vakantie. Er zou namelijk in Santiago de Chili geen gelegenheid meer zijn, omdat we zeer laat in het hotel zouden aankomen.

terug naar boven 

Dag 22: Paaseiland - vlucht naar Santiago de Chile

We zouden pas laat naar Santiago de Chile vertrekken, daarom liepen we naar het winkel gedeelte van Hanga Roa om nog de laatste inkopen te doen. Ook gingen we naar het postkantoor, omdat we gehoord hadden dat je daar een stempel van Paaseiland in je paspoort kon krijgen en dat wilden we wel.

We sliepen nog een nachtje in de drukke Chileense hoofdstad, voordat we weer terug naar Brussel vlogen. Omdat we zeer laat in het hotel aankwamen, was de bar gesloten. Met een aantal van de groep zijn we toch nog iets gaan drinken in een straat vlak bij met veel restaurantjes. Het werd een gezellige afscheidsavond. 

terug naar boven 

Dag 23: Santiago de Chile - Brussel

We hadden nog enige tijd in Santiago de Chili voordat we naar het vliegveld gingen voor de terugreis. Genoeg tijd om weer naar de Plaza de Armas te lopen. Onderweg bezochten we nog de Basilica Ica de la Merced.

De laatste ervaring die we mee konden nemen naar huis was dat men probeerde ons te beroven. Op de Plaza werd Anton aangesproken door een klein maar net uitziend mannetje die hem attent erop maakte dat zijn kleren onder de viezigheid zaten. Hij wilde hem helpen het schoon te maken. Inderdaad zat er allemaal mayonaise en spaghetti achter op zijn broek en trui. Ook Päivi had een gedeelte gehad. Niets vermoedend stond Anton dat toe, totdat het mannetje wilde dat hij zijn heuptasje afdeed. Toen hadden Päivi en Anton door dat het daarom te doen was en hielden wij het tasje goed vast. De engerd ging er toen vandoor. Het mannetje had natuurlijk zelf de viezigheid op onze kleren gesmeerd. Een zeer goed Engels sprekende politieman vroeg of er werkelijk niets gestolen was. Gelukkig was dat niet het geval. Terug in het hotel vertelden verschillende groepsleden dat deze truc bekend stond als de ketchup truc en over de gehele wereld gebruikt werd. Wij kennen hem nu dus ook.  

terug naar boven 

Dag 24: aankomst Brussel

De terugreis verliep voorspoedig. Gelukkig konden we onze tickets inwisselen, zodat we naast elkaar zaten. Het was wel jammer dat dit op de achterste rij was, die niet echt comfortabel was.

Wat een mooie, maar wel vermoeiende reis is dit geweest.

terug naar boven 

 

 Laatst bijgewerkt op: woensdag 30 maart 2016

Menu Generated By: OpenCube NodeFire - www.opencube.com